Mobile & Tablets

Is het hun of hen? Wat zijn de taalregels?

Is het hen of hun? Welke rol spelen meewerkende en lijdende voorwerpen hierbij? En hoe is de regel na een voorzetsel? Ik moet het altijd weer opzoeken. Zijn er geen handig ezelsbruggetjes voor?

Persoonlijk voornaamwoorden

Even vooraf: hen en hun zijn persoonlijk voornaamwoorden. Een persoonlijk voornaamwoord verwijst meestal naar een persoon of een groep personen. Behalve hen en hun zijn voorbeelden van persoonlijk voornaamwoorden: ik, jij, hij, hem en haar.

{snippet advertentie01}

Hen en hun: de hoofdregel

Eigenlijk is het simpel:

  • gebruik hun bij een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel
  • gebruik hen na een voorzetsel en in alle andere gevallen

Hieronder heb ik het iets meer uitgewerkt.

Wanneer gebruik je hen?

Gebruik hen in deze gevallen:

1. Na een voorzetsel, zoals voor, aan, met, dankzij, volgens

Voorbeelden:

  • Ik geef dit cadeau aan hen.
  • Het gaat lekker met hen.
  • Volgens hen is dit fout.

2. Als lijdend voorwerp

Voorbeelden:

  • Ik vind hen leuk.
  • Badr Hari slaat hen.
  • Ik bel hen wel even.

Hoe weet je of hen lijdend voorwerp is? Maak de zin passief en gebruik worden. Dus: zij worden geslagen door Badr Hari. Nu weet je zeker dat hen lijdend voorwerp is, dus dat het hen is en niet hun.

  {snippet advertentie02}

Wanneer gebruik je hun?

Gebruik hun:

1. Als het een meewerkend voorwerp is.

Hoe weet je of het om een meewerkend voorwerp gaat? Je kunt er dan meestal een voorzetsel bij denken (aan, voor, bij, volgens) of een voorzetselgroep (met betrekking tot, ten aanzien van).

Voorbeeld:

  • Ik geef hun het cadeau > hun is meewerkend voorwerp omdat je er een voorzetsel voor kunt zetten: ik geef het cadeau aan hen

Wat te doen bij twijfel?

Je kunt ook uit de hun/hen-val ontsnappen met het simpele woordje ‘ze’, een prima alternatief voor hen én hun:

  • Ik geef ze het cadeau.

Hun/hen: niet voor voorwerpen

Je kunt hen en hun alleen gebruiken als je naar personen verwijst. Als het om bijvoorbeeld voorwerpen gaat, moet je meestal ze gebruiken.

Voorbeeld:

  • Ik heb deze cadeaus gekocht en ik geef ze aan jou.

Ezelsbruggetjes

Ik heb vervelend nieuws: er is geen simpele regel of een handig ezelsbruggetje voor het onderscheid tussen hen en hun. Maar eigenlijk zijn de regels helemaal niet zo moeilijk.

Samenvattend:

  1. meewerkend voorwerp >> HUN (ik geef hun een boek)
  2. na voorzetsels >> HEN (ik geef het boek aan hen)
  3. lijdend voorwerp >> HEN (ik heb hen geroepen)

Hun hebben het gedaan

Je kunt trouwens ook ‘hun’ als onderwerp van een zin gebruiken: Hun hebben gevoetbald. Maar alleen als je Johan Cruijff heet.

5.0/5 rating (2 votes)

Related Articles